begin over de auteur boeken vertalingen luisteren werkplaats tientjeslid links contact                 

zonder titel

Blad: ongepubliceerd
Datum: 2005-05-30

1. Maandag 9 februari — Etudes

De eerste dag ben ik het vergeten: mijn computer pakken, aan het raam gaan zitten, het grote raam op het westen, mijn lievelingsraam — waar sinds kort een tafel tegenaan staat met lage bankjes — en een stukje schrijven, een etude. Over de huidige dag of uiterlijk de volgende ochtend over de vorige dag. Veel lucht, vliegtuigstrepen, de Schinkel en de boten en de tram rammelend over de brug, de oude stad erachter met de vele ramen en levens daarachter, en daar weer achter als een beschermende schil de hoge kantoorflats net buiten de ring. Dirk van den Broek, de auto’s, fietsers, wandelaars, de zwervers op een bankje aan het water, de vogels — meeuwen vooral. En eenden in het water. Stadse geluiden, stadse geuren, stadsgedachten.

2.  Dinsdag 10 februari — Digros

Grauw. De enige kleur is het helderrood van de vrachtwagen die aan de overkant van de Schinkel geparkeerd staat. Digros staat er met dikke witte letters op. Eenvoudig. Maar in deze straat toch schreeuwerig. De Koophandel IV komt voorbijgetuft, hoog op het water, haar ruim is leeg. Ze vaart naar het Nieuwe Meer. Op het dek een kleine rode auto, die haalt het niet bij het rood van de Digrosauto. Nog een schip, de Orion, zelfde diepe lege ruim, ook een rode auto, dofrood. De D1014, zoals de Digrosauto is genummerd, rijdt langzaam weg. Op de laadklep staat: ‘Ga toch voor Digros’. Mij best, maar ik heb geen idee wat Digros is.

3.  Woensdag 11 februari — Schoorstenen

Uit een dunne schoorsteenpijp aan de overkant van het water kringelt witte rook. De wind duwt de slierten alle kanten op, soms naar beneden, alsof hij de rook wil terugjagen het huis in. Overdag is de rook het zichtbaarste teken van leven. Verder verraden alleen de gordijnen af en toe dat er binnen mensen zijn. Gisteren waren de roodbruine gordijnen open. Maar dat denk ik alleen als ze gesloten zijn. Open gordijnen bestaan niet, hebben geen kleur, omdat ik er geen herinnering aan heb. Of moet ik zeggen: nog niet.

De schoorsteen rookt niet meer. Verderop zie ik nog één rokende rode pijp. Dat is alles. De andere schoorstenen zijn dode materie, onopvallend in het stenen landschap. Betekent dat dat de meeste mensen niet thuis zijn? Wanneer rookt een stadsschoorsteen eigenlijk?

4.  Donderdag 12 februari — Voortbewegen

Een man en een vrouw met een rode DirkvandenBroek-tas tussen zich in, hotseklotsend. Ik zou na een paar stappen driftig het hengsel uit handen van de ander trekken: zo gaat het niet, dan draag ik de tas liever alleen. Zij niet, hun lijkt het gehotseklots tegen hun been niet te storen. Op de hoek is een witharige man uitgepraat met een vrouw met hondje. Hij duwt zijn fiets moeizaam de straat op. Staat stil concentreert zich en zet zich stram op de fiets, die nog niet genoeg vaart heeft. Met zijn hand kan hij net het dak van een auto bereiken om zichzelf zo een extra duwtje te geven. Gelukt. Maand na maand gaat het fietsen moeizamer. Bergaf.

5.  Vrijdag 13 februari — Skyline

Grijs, elke dag een beetje grijzer? Grijzer kan niet. De groenkoperen hoedjes van de drie kantoorgebouwen van Carl Weeber zijn zelfs grijsgroen. Veel is erop afgegeven, ik vond ze vanaf het begin aangenaam om naar te kijken. Als de horizon dan toch vol komt van de hoogbouw, als er dan toch een grootstedelijke skyline komt, dan misstaan die hoeden niet. De rest is recht en kleurloos. Behalve dan ’s avonds als de drie witte kolossen met kleurige lampen zijn uitgelicht. Ook mooi, een kosmopolitisch, bijna futuristisch stadslandschap. Vanuit de oude stad, de oude school kijk ik erop uit. Eens lagen achter het water de weilanden. Eens was hier de stad ten einde.

6.  Maandag 16 februari — Lichtgevend grijs

Weer is het grijs weer, maar anders. De groene dakhoedjes van Weeber zijn gesluierd. In het grijs is de zon aanwezig. Lichtgevend grijs. Weerkaatsend grijs. Alsof de zon zich nog schuil houdt maar achter de mist stiekem al wel de luchtpartikeltjes aanlicht. Alsof? Misschien is het wel gewoon zo.

Gisteren op weg naar Eindhoven ging het net zo. Het grijs, de mist barstte bijna uit zijn grijsheid van licht. De sloten en watertjes in het Groene Hart straalden en glommen. En toen heel plotseling baadde het land in het zonlicht. Maar we reden voort, sneller dan het weer zich verplaatste. Voor Eindhoven reden we de mist weer in. Later brak ook hier de zon door. De lente kondigt zich aan.

7.  Dinsdag 17 februari — Platanen

Dode takken. Het gaat slecht met de platanen langs de Schinkel. Tenminste dat is telkens weer mijn eerste gedachte. Ik kan er maar niet aan wennen dat de schors van de platanen afbladdert en dat dat zo hoort. Lichte takken, aangevreten, stakerig. Ze vallen op, de kleinere intacte takken zie je veel minder goed. En dat is precies een kenmerk van dode takken: de twijgjes zijn er al afgebroken. Dode takken zijn veel minder takkerig en daardoor stakeriger. De mooiste plataan die ik ken staat bij het Leidseplein. Elke keer als ik erlangs fiets verbaas ik me weer hoe dik hij is, gezellig knobbelig dik. Dik als een kabouterboom. De misplaatstste platanen zijn net geplant in het bos van Frans Stapert, op de plek waar hij zichzelf heeft doodgeschoten. Hij bestreed de uitheemse bomen in zijn bos. Te zijner nagedachtenis plantten zijn vrienden er enkele bomen. Platanen. En die zijn uitheems. Maar daar kwamen ze pas later achter.

8.  Woensdag 18 februari — Mahler 4

Het andere raam. Zicht naar het oosten, de hoogbouw rond het Amstelstation vormt de skyline. De Rembrandt- en Mondriaantoren. Arme schilders, hoe vaak is hun naam te onpas gebruikt. Als ik ga staan kan ik net over de nok van de overbuurhuizen heen de Zuidas zien. ABN Amro, de kraan van het nieuwe Mahler 4. Mahler 4, alleen die naam al wekte mijn weerzin tegen het nieuwbouwproject op. Wat heeft een nieuw Amsterdams kantoren-, woon- en stadscentrum met Mahler van doen? Waar in Amsterdam je ook loopt, nergens zal de stad de symfonieën van Mahler in je hoofd doen spelen. Amsterdam en Mahler zijn twee aparte werelden. Wie die twee zo aan elkaar gekoppeld heeft, doet beide te kort.

9.  Donderdag 19 februari — Koud licht

Ik kijk naar buiten en knijp met m’n ogen. Zon. Blauwe lucht, stevige wolken, wit licht, een schitterende golvende baan licht in de Schinkel, wolken in de plassen in de dakgoot. De meeuwen boven het water lichten op als ze de zon vangen. Zwieren ze uitbundiger dan de dagen hiervoor? Het lijkt zo, het is misschien mijn blik. En waarom is het licht koud? Hoe zie ik dat het het vroege voorjaarslicht is, of zie ik dat niet? Zintuigen, weten, herinnering, het is moeilijk uiteen te rafelen. Doet het er toe? De inbeelding of het weten moet niet al te dik op de zintuigelijke ervaring liggen, want dan wordt die aangetast, ongeloofwaardig. Of de zintuigen moeten onderdeel van het spel van schijn en wezen zijn.

10.  Zondag 22 februari — Makelaar

Voor het hoekpand aan de overkant van het water staan verschillende echtparen. Tussen etalageruiten en luxaflex hangen witte vellen papier met afbeeldingen erop. Een makelaar, dat kan niet anders. Toch heb ik die nog nooit eerder gezien. Is die makelaar daar nieuw? Geen idee. Het onbegrijpelijkste is weer mijn eigen waarneming. Hoe kan ik dat nou niet weten. Terwijl ik hier al jaren uit het raam kijk en zelfs al weer dagen voor het raam ga zitten om te kijken en te noteren.

De stellen wandelen. Zondagmiddag. Zon op het gezicht, diep weggedoken in hun winterjassen. Ze staan stil bij de makelaar en ze doen allemaal hetzelfde: ze stellen zich een ander huis voor, een ander leven.

11.  Maandag 23 februari — Witte neerslag

De dakgoot is wit, hij ligt vol witte korreltjes. Sneeuw is het van een afstandje, maar van dichtbij is het bevroren regen. Geen hagel ook, hagel is doorzichtiger en harder. Ook de daken van huizen en auto’s zijn wit. De straat is donker en nat. Donkerder en natter dan van regen, omdat het asfalt afsteekt bij het wit en het vale licht van de zon. Noordenwind. Het water in de Schinkel jaagt naar de brug over de Zeilstraat in dikke golven. Een vrachtwagen van Vroegop van de Centrale Groothandelsmarkt rijdt langzaam en pruttelend langs de kade. Bij Dirk van den Broek roept hij kort droog ‘toet’ en stopt. Door het wit in de dakgoot schemeren steeds grotere vlekken grijs zink.

12.  Dinsdag 24 februari — De mensen van de overkant

De regen loopt langs de ramen. Aan de overkant van het water zijn de meeste mensen thuis, net thuis? Dat is moeilijk te zien, de lichten zijn in elk geval ontstoken. In deze tijd wordt het donker precies op het moment dat de mensen van hun werk komen. Maar hoeveel mensen aan de overkant de hele dag thuis zijn, geen werk hebben, oud zijn, ik zou het niet weten. De overkant is ver, aan de andere kant van het water. De overkant van onze straat, die op het zuiden, is dichterbij. Daar wonen meest jonge mensen die werken. Maar aan de Sloterkade? Geen idee, de mensen zijn vooral schimmen die bewegen achter de vensters.

13. Woensdag 25 februari — Buiten lopen

De sneeuw van daarnet is gesmolten. De zon schijnt. Het is druk op straat. Alsof mensen gewacht hebben met naar buiten gaan. Ze lopen vandaag zo dwars door elkaar. Als poppetjes die elk naar een eigen magneet worden getrokken. Dribbelende peuter met pap en mam, een wit grijs vrouwtje met een tas op wieltjes, een oude man met een lichtbruin langharig keeshondje, het soort dat mannen als hij hebben. Een vader met zijn dochtertje op de schouders — blijvend ideaalbeeld. Fietsen heen en weer. Mensen die langzaam in gedachten vooruitgaan, een veertiger die stevig voortbeent met zijn boodschappen op weg naar het volgende agendapunt van de dag. Armen met boodschappentassen eraan, handen als haakjes.

14. Donderdag 26 februari — Sirenes

Sirenes komen in de buurt tot stilstand. Op de Sloterkade staan een ambulance en een brandweerwagen. Een tweede brandweerwagen, met een lange ladder, komt aangeracet. Op tweehoog staan de balkondeuren open. De brandweermannen draaien een baar op de hoogwerker en het gevaarte stijgt op. Ambulancebroeders komen naar buiten en schuiven een ingepakt mens op de baar. Als de hoogwerker zakt verschijnt op het balkon een oude vrouw in roze ochtendjas. Ze kijkt de baar na. Als deze op de grond op een onderstel staat en de ambulancebroeders ermee weglopen naar de auto verderop, gaat de vrouw naar binnen. De brandweermannen, het zijn er zeker zes, bekogelen elkaar met sneeuwballen en stappen in. De ambulance rijdt zonder sirene weg.

15. Vrijdag 27 februari — Willekeur

Ik betrap de drie verlichte kantoortorens altijd graag op een kleurwisseling. Vaak hebben ze gedrieën één kleur die blijft. Soms zijn ze verschillend aangelicht en nu wisselen ze in rap tempo van kleur. Van blauw naar geel naar paars naar blauw, de voorste en achterste gaan gelijk op, de middelste en laagste volgt een ander patroon. Het is me nog nooit gelukt het systeem te ontdekken. Ik weet niet eens of dat komt door willekeur of door mijn gebrek aan aandacht. Zou ik het kunnen ontdekken of niet? En wanneer weet je of de willekeur zo groot is dat het systeem verhuld blijft hoe je ook zoekt of dat er echt geen systeem in zit. Bestaat dat eigenlijk afwisseling zonder systeem? Ook bij eindeloze vermenigvuldiging?

16. Zaterdag 28 februari — Pestkop winter

Het is een pestkop, deze winter. Heel laat in het seizoen is ie toch nog gekomen, maar af en aan. Vanochtend was de lucht grijs van de sneeuw, dichte dikke plakvlokken, zo licht dat ze zelfs weer omhoog dwarrelden. Op de platanen lag een dikke zachte laag sneeuw. Zo zijn de ochtenden de laatste dagen wel vaker. Maar je weet dat het niet zal duren, even later liggen er hier en daar nog wat witte vlekken. De winter maakt ons voortdurend lekker. Zo zou het kunnen zijn, zo had het gekund. Ik sta in de winkel met een plak sneeuw op mijn achterhoofd, van het sneeuwbalgevecht met de buurkinderen. Een moment, dan is het weer voorbij.

17. Maandag 1 maart — Bagger

Een oranje sleepbootje duwt vijf lege bakken voor zich uit naar het Nieuwe Meer. Het zijn net de voorlopers van de grote duwbakken. Het is een waterlocomotief met een rij wagons erachter. De Schinkel is waterspoor.

Een uur later zit ik weer aan het raam en komt de sleepboot in omgekeerde richting. Ze trekt nu de bakken, die dieper liggen en vol met baggerslib zitten. Tenminste, het oppervlak is grijzig en nat. Meestal zijn de schepen met bagger groter. Waar de lading vandaan komt, waar ze heengaat, ik heb het me vaak afgevraagd maar nooit achterhaald. Het lijkt een onmogelijk bedrijf, bagger vervoeren. De enige reden die ik ervoor  kan verzinnen, is dat het om vervuld slib gaat.

18. Dinsdag 2 maart — Doelen

Een man in strakke zwarte sportkleding, witte schoenen en een soort badmuts op rent over de kade. Een streepje, een stripfiguur, hij neemt veel te kleine dribbelpasjes. Hij oogt vervuld van zijn eigen activiteit, zijn eigen leven. Hoe ik dat zie? Hij loopt zo midden op straat tegen het verkeer in.

Op de stoep loopt een grijze heer in donker pak met een attachékoffertje in de hand. een soort dat je hier zelden ziet lopen. Ik schat dat hij bij de regionale radiostudio vandaan komt, hier schuin tegenover. Hij komt ergens vandaan, gaat niet ergens heen, tenminste, eerst is hij op weg naar zijn auto die om de hoek geparkeerd staat. Ook dat zie ik, maar ik weet niet hoe.

19. Woensdag 3 maart — Witte vlag

Heiig en zonnig, mooi teer licht. Achter de gebouwen van Weeber wappert een witte vlag op een stoer bakstenen gebouw. Ik heb het gebouw nog nooit gezien, kan niet bedenken waar het staat. De vlag die fier wapperde is ineens langs zijn stok gaan hangen, nauwelijks meer zichtbaar. Alsof hij teleurgesteld is dat niemand zijn vrolijke en dappere wapperen opmerkt. Of dat ik zijn gebouw niet ken. Het gebouw heeft een dikke vierkante toren, niet eens onopvallend dus. En aan die toren hangt een witte schijf. Een schotelantenne. Vreemd.

20. Donderdag 4 maart — Mooier dan ooit

De witte vlag is weg, gisteren hing hij, beken ik nu, al halfstok. De schotel hangt er nog. Ik heb me laten vertellen wat het gebouw is. De verpleegstersflat bij het Andreasziekenhuis. Die afgebroken wordt. De toren, dat moet het trappenhuis zijn, de bovenste verdiepingen zijn al gesloopt. Twee verdiepingen, drie? Moeilijk te schatten. Nu het een flat in afbraak is, kan de schotel haast geen antenne zijn.

Het gebouw zal wel niet meer in deze tijd passen. Te kleine kamertjes, zelfs voor studenten. Of ze hebben er asbest aangetroffen, dat kan ook. Jammer, voor de skyline is de flat nu mooier dan ooit. Kijk maar, er staat niet wat er staat.

21. Vrijdag 5 maart — Raadsel weergekeerd

Het blijft merkwaardig en ergerlijk hoe slecht een mens kijkt. De verpleegstersflat is het niet, dat gebouw aan de skyline waarop ineens mijn oog was gevallen, die ligt helemaal niet schuin achter de gebouwen van Weeber. Dat weet ik, waarom heb ik dan zo onsecuur gekeken. De verpleegstersflat ligt dichterbij. Vaak verdwijnt ze als ik uit het raam kijk net achter de sponning van het raam. Moet dat als excuus gelden? Als ik mijn hoofd een paar centimeter beweeg heb ik er vol zicht op. De verpleegstersflat heeft met lichte planken dichtgetimmerde ramen, de twee bovenste verdiepingen hebben donkere gaten. Er is nog geen verdieping afgesloopt.

Het raadsel van het andere gebouw is dus teruggekeerd. Ik zal het een keer moeten gaan zoeken, op straatniveau.

22. Donderdag 11 maart — Boodschappen

Hoe komt een oude man erbij een fluorescerend rode muts op te zetten en witte sokken met witte gympen aan te trekken? Voor het overige is hij blauw, rood, blauw, wit. En hij zit op een fiets waarmee hij zo langzaam rijdt dat hij slingert. De stoep op. Hij gaat naar de Dirk van den Broek. Wat zal hij kopen, vast ook iets geks, ik schat iets kant-en-klaars, of chips en bier. Aan de mensen meen ik soms af te kunnen zien wat voor boodschappen ze doen, wat ze eten. Ik heb jarenlange training achter de rug. In de rij bij de kassa kijk ik graag ik de winkelwagentjes van de wachtenden om mij heen. Zie je wel, denk ik meestal, dacht ik al. In de loop der jaren is die kennis zomaar aangeslibd. Ik ben het me nauwelijks bewust.

23. Vrijdag 12 maart — Voorbij

Bij de bankjes aan de kade zijn de meeuwen samengedromd. Ook  enkele duiven zitten ertussen. Er moet eten zijn neergegooid. De meeuwen dobberen in de Schinkel met hun prooi. Levensdrift. De zon schijnt, het is koud, maar toch, de lente komt eraan.En steeds denk ik aan Gerard Rasch, die dit allemaal niet meer zal zien, nooit meer. Nooit meer wordt de wereld door zijn ogen bekeken, nooit meer neemt ze de vorm aan die door zijn wezen is bepaald, door zijn leven, ervaringen, geheugen, poëtica. Alles wat hij had verzameld in zich is niet meer, alleen afdrukken zijn er nog van, in de mensen om hem heen, in zijn werk, in herinneringen. Er komt niets nieuws meer bij. Voorbij.

24. Zaterdag 13 maart — De kapitein

Op deze winderige herfstige ochtend vaart de Elsie May geruisloos voorbij. Een aardige droom. De mast ligt op de grijs-blauwe kajuit. De Elsie heeft roodbruine randen en vlakken in vanillevlageel. Zorgvuldig is ze in de verf gezet, zo zelfs dat ze er niet pasgeverfd of glanzend protserig uitziet. Alleen maar fris. Haar kapitein heeft zijn beste vakmanschap aan haar gewijd, ze is zijn droomboot. Op haar achtersteven hangt de Nederlandse vlag langs een bescheiden stok. Hij moet een eigenzinnig man zijn, de kapitein, zo iemand die je graag mag, maar die niemand nodig heeft, die leeft in zijn eigen film, zijn eigen leven. Geen kwaad, geen ruimte voor een ander. Alleen voor Elsie May, maar die maakt hem ook tot wat hij wil zijn. Kapitein.

25. Zondag 14 maart — Zondagochtend

Het is zondag buiten. In onze buurt is het verschil nog te zien. Gelukkig. Niet alleen zondag, maar zondagochtend. En dan ook nog zo’n ochtend die niet uitnodigt naar buiten te gaan. Wind, regen, guur en somber. Een enkeling waagt zich er toch uit. Een grietje met geelgroen fluorescerende pet met bijpassende kousen. Een jogger in knalrode broek, aan de gang is onmiddellijk te zien dat het om een vrouw gaat, Koket sprongerige pasjes, ze heeft veel naar Amerikaanse films gekeken. Ze denkt dat ze danst.

De platanen staan er kouwelijk bij, geen spoor van lente. Die heeft ook een rustdag genomen. Binnen zitten en liggen de mensen. In hun eigen wereld. Ieder, alleen, of met de zijnen.

26. Maandag 15 maart — Meerpalen

Ook die heb ik nog nooit gezien, de meerpalen aan de overkant Schepen meren hier zelden aan, heel af en toe ligt er even eentje voor de supermarkt. Het grijs uitgebleekte hout, de witte kop van de meerpalen, ze hebben een stoere schoonheid. Aan onze kant van de Schinkel is er hier en daar een smeedijzeren trapje met een hekje ernaast. Daar staan fietsen aan geklonken. De trapjes zijn vooral voor mensen die te water zijn geraakt. Ze zijn er pas een paar jaar. Voordien was het niet eenvoudig uit de Schinkel te komen, de kademuren zijn hoog. Zo is Mattie verdronken. In dronken overmoed piste hij in het verijsde water en kukelde voorover. Weken later kwam hij boven.

27. Woensdag 17 maart — Jassen uit

Een bleke ondergaande zon achter sluierbewolking. De kilte is weer te voorschijn gekropen, uit de gebouwen en bodem. Zo lijkt het tenminste.Toch ziet het er buiten nog lenteachtig uit. Een wielrenner met blote benen, een vrouw in een t-shirt. Winterjassen uit. Een van de eerste dagen waarop mensen massaal de lente verwelkomen. In het Amsterdamse bos met Laura en Frances. Drie oude Turken zaten op klapstoelen tussen hun auto’s te barbecuen. Over de kade racet een pizzakoerier, die zie ik  ’s ochtends nooit, realiseer ik me ineens. Avond, het is een andere rust die over de straat trekt dan de ochtendrust. Veel joggers op weg naar het Vondelpark.

28. Donderdag 18 maart — Het vrije water

Als ik een boot op de Schinkel zie, wil ik altijd varen. Het doet er niet toe, een binnenvaartschip, een volle baggerboot, een sleper, allerlei werkbootjes; alleen de jachten stoten me af, hoe groter des te meer, misschien juist wel omdat zij tonen dat mijn verlangen een idee fixe is.

Op het water ben je vrij, op het water scheer je langs het dagelijks leven met als zijn beslommeringen, op het water heb je je eigen leven. Je bent niet op het land, het is na vliegen als een vogel het aanlokkelijkst. De lucht, die is natuurlijk nog vrijer, maar op het water kom je ook een heel end. Al die onduidelijke werkbootjes lokken me het meest. De vrije jongens. De grote jachten zijn daarvan de ridicule uitvergrotingen. Zo vrij zijn hun bezitters, ze hoeven niets meer te doen, dan zich in luxe te vervelen op het water.

29. Vrijdag 19 maart — Weer

Storm, de kale takken van de platanen zwiepen, de wind giert en blaast door de kieren van de dakkapel. In de dakgoot jaagt het plasje water in golven alsof het een meer is. En dan de meeuwen, die deinen mee op de wind. Laatst viel me op hoe recht ze boven de Schinkel heen en weer vlogen. Vandaag is daar geen sprake van. Ze vangen de windvlagen en laten zich gaan. Een oude man heeft zijn fiets in de laagste versnelling gezet en trapt met kinderlijk snelle bewegingen zijn trappers in het rond, om de wind te kunnen trotseren. Hem tegemoet kom teen meisje op een omafiets in vliegende vaart. Gelukkig dat er weer is, die elke dag een eigen atmosfeer geeft

30. Dinsdag 23 maart — Luchten

Uitgewaaierde vliegtuigstrepen aangelicht door de ondergaande zon, achter de hoeden van Weeber staat een rij ijsgrijze stapelwolken, achter me is de lucht dreigend donker vol regen. Nog maar een kwartier geleden stond de rookpluim van de centrale recht omhoog, ze ging over in een enorme vuilwitte wolk, alsof dat allemaal haar werk was. Nu is de lucht alweer kraakhelder daar. Terwijl, de pluim omhoog stijgt, dus is er weinig wind. Merkwaardig hoe de lucht dan toch zo razendsnel in beweging kan zijn. Gore dikke wolken, pastelkleurige slierten, roze en blauwgrijs, een inktzwart zuiden, en dan zie ik het noorden vanuit deze positie nog niet eens. De zon zakt weg achter de zuidelijkste van de drie witte kolossen. Vroege lente, avondlicht.

31 Woensdag 24 maart — Waarnemen

Op het gebouw dat ik nog steeds niet kan thuisbrengen hangt de vlag halfstok voor prinses Juliana. Het is dus een (semi-) overheidsgebouw, geen woonflat, geen bedrijf. In de eerste parallelstraat achter de kade is vandaag een huis ingepakt in wit doek. Daar wordt gezandstraald of geschilderd, ik moet altijd aan de verpakkingskunstenaar Christo denken. Kunst, geen kunst. De kunst van het organiseren en geld verzamelen. Links op de kade tussen een vijf en een zes verdiepingen hoog pand is al weken een gat met een schutting ervoor. Geen idee. Toen ik erlangs liep zag ik dat ze er een kelder bouwden. Er hangt een bordje te koop. Kelder te koop? Op de stoep staat een felgroene silo op poten, met de punt naar beneden. Doorgaans kijk ik overal langs. Hoeveel kan een mens waarnemen?

32. Donderdag 25 maart — Binnenste

Een grauwgrijze oude vrouw met haar hoofd gebogen, aan haar armen hangen twee tassen, rechts een grauwe, links een rode DirkvandenBroek-tas. Ze kijkt op de stoep voor zich, in zichzelf besloten, de omgeving waar ze doorheen loopt bestaat niet voor haar. Heeft ze pijn, is ze bedroefd? Haar gang is zwaar en gebukt. Is het een last om boodschappen te doen? Een lust, de enige reden om nog naar buiten te gaan, de enige gelegenheid om wat woorden uit te wisselen, zoals voor oude mensen steeds vaker geldt?

Ik zie dat ze aanstalten maakt om de hoek om te gaan, en dan een verbazend korte oogwenk later is ze verdwenen. Was ze er wel, of was ze een verbeelding van mijn gemoedstoestand? Was het mijn binnenste dat daar liep?

33. Vrijdag 26 maart — Voorafschaduwing

Halfzeven, schel is de zon nog, vlak boven de huizen aan de kade van de Schinkel. In de platanen blinkeren duizenden lichtspettertjes. Uitbundig, alsof de bomen al bloeien. Het is een voorafschaduwing, het licht laat zien dat de bomen niet winters kaal meer zijn, aan de takken beginnen de knoppen uit te zetten en vangen roodachtig het licht. Ik kijk naar het zuiden en zie dat de iepen al getooid zijn met een fijn waas van groen boven in hun kruinen. En dan zakt de zon achter de witte kantoorkolos en trekt de belofte van lente zich terug, ook uit de bomen. Winters kaal en kleurloos zijn ze. Maar niet lang meer.

34. Maandag 29 maart — Zomers geluid

Zeven uur. Nog scheller is de zon dan vrijdag en nog veel hoger aan de hemel. Zomertijd. In mijn ooghoek zie ik iets dichtbij bewegen. Nog geen halve meter bij me vandaan loopt de kleine rode poes Luna door de dakgoot. Ik doe de ramen open en ze begrijpt er niets van. Kijkt, zet voorzichtig een poot op het kozijn. Aarzelt. Koele lentelucht stroomt binnen. Een brommer, het suizen van de snelweg, het reutelen van een boot, een hond, kinderstemmen. De stad is zomers dichtbij. De stad is een zomers muziekstuk, een symfonie die altijd doorgaat, beweging in geluid. Ik sluit de ramen. De kachel pruttelt, de poes miauwt.

35. Woensdag 31 maart — Sint Bernhards

Vroegop •Windig vers! staat op de vrachtwagen die de Sloterkade opdraait, het is inmiddels een vertrouwde naam. Natuurlijk de versleverancier moet vaak komen om zijn uitroepteken waar te maken. De Marco vaart met lege buik en daardoor reusachtig richting IJ. Op het dek staan bloempotten en tuinkabouters, de planken zijn deels bedekt met een kunstgrasmat en daarop scharrelen drie Sint Bernhards rond. Nog logger en groter op het schip dan op het land. Ze passen er niet, horen er niet. Of toch, toevallig maakt de schipper dat zelf wel uit. De Marco is onder mij tot stilstand gekomen, witschuimend water achter bij de schroef en gebrul duidde op remmen. De fietsbrug blijft nog even dicht. De Sint Bernhards gaan zitten, staan weer eens op, schudden hun losse vel.

36. Donderdag 1 april — Nachtelijke ruit

Het raam is een ding, een voorwerp als het donker is. Wat je ziet, de spiegeling of buiten, beïnvloed je door kleine schommelingen van je hoofd. Ik zat, tegen enen, al een tijdje heel na bij het raam. De huizen aan de overkant en de boekenkast in mijn huis waren één geheel. Dezelfde verticale lijnen. Even met het hoofd erbij denken en het beeld begint al uiteen te vallen. Want achter (buiten) is strakker met grotere vlakken, witte kozijnen en balkonnetjes in het stadse duister (dus: voor zover een stad nog donker is). Voor zijn er de smalle kleurige strepen in een glanzend licht. Binnen is het — gedachteloos— een avond in mijn kamer. De mengeling van buiten en binnen biedt een hoogtepunt van kleurigheid en warmte en duisternis en verlatenheid. Als ik m’n neus op het glas druk, is daar niets dan de stille eenzame nacht.

37. Vrijdag 2 april — Bloesem

Drieënveertig uur later kijk ik voor het eerst weer echt naar buiten en daar staat ineens een boom te bloeien in de straat aan de overkant. Ook het iepengroen is meer dan een waas. Zo snel, kan dat zo snel, heb ik zo slecht opgelet? De knoppen van de prunus op het dak heb ik wel langzaam zien openbarsten, groenig eerst, met al een vleugje roze. Een paar keer kijken en het is voorbij, weer een lente. Volgende week in Schönhof krijg ik een nieuwe kans, daar komt de lente later, dan hier, dan in de stad.

De lichte, eerst vuurrode baan aan de horizon wordt steeds smaller en lichter. De hemelkoepel lijkt zich langzaam te sluiten, alleen nog een kiertje, als een deksel scheef op een pan. De witte kolossen zijn paars, in de paddestoelen van Weeber zijn de ramen vrolijk verlicht, bijna huiselijk.

38. Dinsdag 1 juni — Stad en land

Stad. Stank. Hondenpoep. Het park stinkt naar hondenpoep. Natuur die kwijnt, verdwijnt tussen het steen, met veel geld en krachtsinspanning in stand wordt gehouden, bedwongen. Het verbaast me nog brandnetels te zien.

Merels door de open ramen. Late avond, bedekte hemel, lichtjes aan de overkant, mensen die thuis zijn, die nog op zijn in warm licht, mensen die slapen in het duister van hun huizen, mensen, overal om me heen. Waarom leven ze in de stad, zijn ze op hun plaats in de stad? Is er een keus, tussen stad en land, voorafgaand aan de gewenning, aan de toevalligheden waaruit mensenlevens zijn opgebouwd. Geen vraagteken. Die keus is er nauwelijks. Stadsleven. Landleven.

39. Woensdag 2 juni — Glimpen

Het water is bijna weg, hier en daar rimpelt het nog tussen het groen van de platanen door. Ik zie het nu pas weer, en ik was het helemaal vergeten, hoe in de zomer een groen scherm het water aan het oog onttrekt. Ineens storen ze me, die bomen. Ik wil het water zien, de boten nauwgezet kunnen bekijken als ze voorbij varen en niet even snel glimpen opvangen tussen het gebladerte door. Ook de kade aan de overkant is opgedeeld in stukjes asfalt en stoep tussen de bomenkruinen. Ik moet snel kijken, of de fietser en zelfs de wandelaar is alweer verdwenen. Ik kan niet rustig mensen volgen, bespieden, bij ze verwijlen. En ook de vogels zijn glimpen. Wat eender blijft is de grijze lucht.

40. Vrijdag 4 juni — Geel

Door de grijze lucht vliegt snel en in rechte lijn de gele helikopter. De ambulancehelikopter. Een leven aan een zijden draad. De uiterste rampspoed. Op hoeveel plekken in deze stad alleen al op dit moment. Wat hebben we met elkaar te maken. Ieder is op zijn tijd de pineut. De helikopter vliegt naar de A10 en vandaar met een haakse bocht richting VU-ziekenhuis. Onnavolgbare route.

Voor mijn ogen vloog hij achter de gele kraan langs die bouwmaterialen in de bouwput naast Dirk van den Broek takelt. Het gat is er al maanden, de nieuwbouw is nu bij de tweede verdieping aangeland. Eergisteren stond er een blauwe kraan. Verbazingwekkend hoe die gevaartes met het grootste gemak worden opgebouwd en afgebroken. Vandaag is de dag van het geel.

41. Maandag 7 juni — Lood in de lucht

Jonge eendjes, vuilkleurig, zodat ze niet zo opvallen, met hun spierwitte ouders. Ze dobberen in de Schinkel, langs de rand van de kade, de kleintjes voorop. Witte eenden. Een opa en oma met kleinkind in het kinderwagentje, een knalgele kruiwagen. Het is eindelijk weer een zomerse dag. Toch hangt er ook iets lodens in de lucht, iets grijs. De kleuren zijn fel, maar niet helemaal, het groen van de platanen heeft een bruinig patina. Is het mijn stemming die verantwoordelijk is voor dat onbestemde, onheimelijke lood? Ik denk het, tot ik eens goed naar de torens van Weeber kijk. Het groen van het koper is toch echt minder helder dan het kan zijn. Zo ingrijpend kan mijn stemming mijn zicht toch niet bepalen? Hoewel, het kan wel, maar dat het zo erg is geloof ik niet.

42. Dinsdag 8 juni — Open ramen

Het is dat ik gisteren het zonlicht al iets bedekts vond hebben. Anders zou ik het vandaag hebben toegeschreven aan Venus die voor de zon langsgaat. Je schijnt het te kunnen zien, met een speciale bril, een zwart stipje voor de zon. Maar daar ligt het niet aan dat het licht iets lodens heeft.

Het raam staat open, het wordt een tropische dag. Binnen zijn de buitengeluiden, de boten die wachten voor de bruggen, de gele kraan aan de overkant, de sirene van de ambulance, het piepsignaal van een vrachtwagen die achteruitrijdt.

Over de huizen aan de overkant trekt de schaduw van de draaiende kraan, die betonnen platen in de nieuwbouw hijst. Een oude kale man in het wit gekleed kijkt toe vanaf zijn balkon. Hij klemt zijn handen om de railing alsof het een rollator is.

43. Woensdag 9 juni — Overkant

Gisteravond zat ik met Tijs op de kade aan de overkant, op een van de bankjes waar vaak de zwervers zitten. Nu zaten er een ouder echtpaar en twee oude Turkse mannen. De mannen wezen telkens naar de overkant, de Schinkelstraten, blijkbaar hadden ze het over de buurt.

Wij keken naar ons huis. Boven in het gebouw, een dakkapel die een gat was omdat het raam openstond. De zijgevel van de school is het mooiste en oudste gebouw adat nog over is aan onze kant van de Schinkelkade. Het dak is van donkerrode pannen, de sierlijst tussen dak en muur van schoonmetselwerk, de gevel crème gepleisterd. Tot voor kort was deze zalmroze en deed de school of hij in Italië stond. Nu is het al iets minder kitscherig, al is crème ook nog behoorlijk gezellig.

44. Donderdag 10 juni — Koor

Gisteravond klonk luidt en helder over het water de Zuiderzeeballade. Vrouwenstemmen en een piano. Je hoort meteen dat het op dat moment ook echt gezongen wordt door vrouwen van vlees en bloed. Het is op een boot, denk ik, nu de tijd van de plezierv

 
 

U zocht op:


onderwerp: aan het raam
 Er is 1 treffer

aan het raam

1. zonder titel
In de kier tussen het nieuwbouwpand en het buurpand klimt een plant omhoog. Hij is al halverwege de derde verdieping, een groene toorts, terwijl er in de ramen nog niet eens glas zit, maar plastic. Hij kan zo naar binnen groeien...  

ongepubliceerd

 

U krijgt ook:  

beeldende kunst

De beleidsmachine
Wat staat dáár nu weer? De Gelderse eenprocentsregeling voor infrastructuur bestaat 25 jaar. Het boek Kunstwerken & Kunstwerken zoomt in op artistieke en civieltechnische kunstwerken. Hieronder: 'De beleidsmachine'.   

Kunstwerken & Kunstwerken

 

polders

Koeien in de kerk
Vanaf de brug over het Julianakanaal gaat een haarspeldweg naar beneden. In de diepte ligt Itteren. Een dorpje dat al eeuwen dapper weerstand biedt tegen het water van de Maas.   

de Volkskrant

 

polders

Brakwaternatuur
Een dichte zwerm grote vogels. In een bocht scheren ze naar zee, als een vliegend zwart tapijt. En verderop nog een zwerm, en nog een. Hoeveel vogels verjaag ik? Het moeten er duizenden zijn, de eenzame fietser is machtig.   

de Volkskrant