begin over de auteur boeken vertalingen luisteren werkplaats tientjeslid links contact                 

Blankow of het verlangen naar Heimat

Blad: Uitgeverij L.J. Veen
Datum: 2006-06-13

Genomineerd voor de M.J. Brusseprijs 2008

‘Voor wie iets van de DDR, en van de Duitse geschiedenis wil begrijpen, is dit een onmisbaar boek.’ – Berlijn 1989 • 2009, blz 395-397, Cees Nooteboom, De Bezige Bij, Amsterdam 2009

‘Een boek vol doorgefluisterde geschiedenis, vol verbijsterde levens, een schitterend voorbeeld van slow journalism.’ – Geert Mak

Op een boerderij in het lege noordoosten van Duitsland strijkt een vrouw uit Amsterdam neer, alleen met een hond, uit verlangen naar een kaler bestaan. Al snel gaat ze op zoek naar de kinderen van vroeger, die opgroeiden in het Derde Rijk en de DDR. 

Uit hoofdstuk 1 – ‘De deur’

Achter in de laadbak komt de hond overeind. Ik rijd over de dam door de Mürzinsee. Uit het water stijgen nevelflarden op, ze geven licht, ze schijnen tussen de beuken aan de overkant. Het is het ijs dat zich, dof en zacht geworden, losmaakt van het meer, laagje voor laagje. De ijsgeest vervluchtigt, valt uiteen in kille witte wieven die vanaf het meer over het land waren. Ik ril en schud in dezelfde beweging de angst van me af. De stilstand van de winter is voorbij. Ik ben precies op tijd gekomen.

Ik draai van de chaussee af, het landweggetje op, langs de huizen van het gehucht, omhoog. Boven op de glooiing liggen ze in het grijze avondlicht: hoeve, stallen en bouwvallen. Ze liggen er alweer een tijdje voor zich heen, leeg en stil. Alleen de dikke zwarte molshopen duiden op activiteit: de aarde is nog niet ontdooid of de mollen komen al boven. Met mijn linkerhand duw ik hard tegen de roestige ijzeren staldeur, met de rechter draai ik snel de sleutel om. Gelukt, in één keer. De deur knierpt met haar vertrouwde schrille uithaal als ik haar openzwaai. Ik stap de grote koeienstal binnen en adem de zurige lucht in. Ik doe mijn ogen dicht. De geur vult mijn borstkas, vervult me één ogenblik: alle vage heimwee van maanden. Oude geur.
Ik loop de stal door en open de deur van het afgeschotte woongedeelte, aarzelend stap ik de ruimte binnen. De stoelen staan om de tafel, de dekens liggen op het bed, de gietijzeren kachel staat ijzig op haar vier poten. Heel even vang ik een glimp op van hun bestaan zonder mij, van hun op zich zijn, dat wat een mens niet kan. Het moment van binnengaan in deze wereld is van een zeldzame inbreuk. Ik verstoor het ondoelmatige bestaan der dingen. Ik geef ze hun betekenis, ik vul de ruimte met intentie.
De hond snelt met lage rug en neus over de grond door de woning, haastig neemt hij de geuren op. Daar waar de muizen onder de vloer uit komen, waar achter het zware gordijn de tuindeur is, blijft hij even verwoed snuffelen. Dan heeft hij zijn eerste onderzoek voltooid en komt naar me toe om geaaid te worden. Waaruit ik opmaak dat het goed is.
Ik gooi proppen krant in de kachel, splinters hout en steek ze aan. Woooep, de schoorsteen zuigt aan de vlammen.

Bij het eerste ochtendgrauwen gaan we naar buiten, de hond en ik. Vol ongeduld duwt hij zijn neus tegen de rand van de ijzeren deur. Hij werpt zijn voorpoten vast in de lucht als aanloopje. Maar de sleutel gaat niet in het slot. Ik wrik en wring. Niets. Ik tuur in het sleutelgat, een keurig T-vormig doorkijkje. Rustig nog eens proberen. Een paar tellen houd ik het vol, dan begint de spanning in mijn spieren te stijgen en geef ik de deur een schop. Ze galmt als een gong. Geen geweld gebruiken, rustig blijven. Rammen helpt niet. Nog eens proberen. Ik manoeuvreer en probeer de sleutel slinks te verleiden het slot in te gaan. Weer niet, en weer die vloedgolf door mijn lijf. De stal op en neer lopen, de appel eten die ik in mijn jaszak had gestopt. Zie eens hoe kalm ik blijf. De luiken van de andere deuren zijn nog dicht en van buiten met hangsloten vergrendeld. Mijn hart begint te bonzen. Dat betekent dus dat ik opgesloten zit. Geen telefoon, geen verbinding met de buitenwereld, niets. Niemand die mijn roepen zal horen. Niemand. Tranen springen in mijn ogen. De hond maakt zich klein. Ik geef de deur nog een dreun. Dagen, een week, nog langer, kan ik hier opgesloten zitten voor iemand het merkt. Ik moet een ruit inslaan. Ik ga alle ramen en deuren langs: nee, daar zit een luik voor, en voor dat raam ook, en dat heeft kleine ijzeren sponningen, zoals alle oude ramen in de koeienstal.
Wacht, in de Wintergarten, daar is een gewone grote ruit.
En dan? Dan is het glas kapot en kan ik eruit. En dan kan iedereen erin. Nee, dat alleen in uiterste nood. Een stalraam, misschien pas ik daar door. Het zijn kantelramen, de scharnieren zitten halverwege, maar het is de enige kans die ik heb. Eerst alle deuren van binnen ontgrendelen, de sleutels van de hangsloten in mijn jaszak stoppen. Nee, geen jas, die is te dik, ik moet me zo dun mogelijk maken.
Ik kies het raam waaronder buiten hout ligt opgestapeld, zet er een ladder onder en klim omhoog. Ik steek mijn linkerbeen onder het gekantelde raampje naar buiten. Zo, nu het tweede been. Mijn rechtervoet blijft haken, de punt van de laars zit klem, komop, dóórduwen. Ik hang halverwege, nu in godsnaam niet blijven steken, ik wurm en wring, mijn voet schiet los, raakt de houtstapel, andere voet, het hout begint te schuiven, ik glijd omlaag en sta op de grond. Hoe mijn hoofd door het raampje is gekomen, weet ik niet. Onbeschadigd, dat wel.
Ik ontgrendel de deur van de Wintergarten en bevrijd de hond uit de woning. Buiten, eindelijk buiten.

Op het pad zie ik verse bandensporen, scherp afgedrukt in de modder. Daar ben ik met de auto niet geweest. Ik verstar. Dan zie ik dat de sporen niet evenwijdig lopen, een auto kan het niet geweest zijn. Een brommer dan.
Zie je wel, er was hier iemand vannacht, er heeft iemand aan de deur gemorreld, iemand wilde naar binnen en heeft het slot geforceerd. Vreemd dat ik niets heb gehoord, de ijzeren deur galmt bij de geringste aanraking.
Ik was doodop van de reis, dat zal het zijn. Maar een hond wordt toch wakker als er iemand aan de deur prutst. Zo serieus heb ik het niet genomen toen zijn baas zei dat de hond niet waaks was. Dat hij gewoon door alle onheil heenmaft. Ik heb geen idee hoe een hond zou moeten weten welk geluid onheil betekent en welk niet. Alle geluiden hier zijn hem vreemd. Gisteravond keek hij van het getrippel van de marter over de hooizolder boven ons hoofd alleen maar even verbaasd op. Het piepen van de luiken keurde hij één blik waardig. Dat vond ik juist een voordeel, dat hij niet bij het minste of geringste begon te blaffen. Maar als er dan eens echt onraad is? Zoals vannacht.

 
 

jacht

Over De jaagster
Interviews, optredens, recensies en meer over de roman De Jaagster die herfst 2014 verscheen. Over een oude Duitse jaagster en een jonge Nederlandse tegen de achtergrond van WO II, Koude Oorlog en Stasi, met als motto: `Jager zijn wij en ook prooi.   

Uitgeverij Atlas Contact

 

literatuur

Erps-Kwerps, Pileken und Kuttekoven (D)
Anlässlich der Frankfurter Buchmesse publizierte die NZZ zwei Texte. Eine Feier des Flämischen von der niederländischen Pauline de Bok und Dies ist was wir teilen: Die Sprache! von der flämischen Diane Broeckhoven.   

Neue Zürcher Zeitung

 

dood

Berichten van een naderend einde
Hoe leven mensen in het aangezicht van de dood? `Niemandsland´ is het eerste verhaal uit mijn boek over het sterven en de dood van vijf mensen. Elk sterven is anders, elk doodgaan is alledaags én onbevattelijk.   

Uitgeverij L.J. Veen

 

Oost-Europa

In Estland zingt de taal
Eigenlijk is het een wonder dat Estland bestaat. Een land met 1,4 miljoen inwoners, een taal die nauwelijks familie heeft en die slechts door één miljoen mensen wordt gesproken. Maar wel een taal die zingt en de blik naar het noorden drijft.   

de Volkskrant

 

jacht

Jagen is toewijding
`Het is alsof we verleerd zijn dat we zelf onderdeel van de natuur zijn.´ Journalist Kester Freriks interviewt Pauline de Bok voor De Jager, het tijdschrift van de Koninklijke Jagersvereniging.   

De Jager

 

Oost-Europa

`Ach kon ik maar in Odessa wonen'
De voorvechters van een Babelstraat waren allang blij met deze miezerige straat. Dat had al genoeg strijd met de nomenklatoera gekost. Die werden niet graag herinnerd aan die donkere episode uit de Sovjet-geschiedenis.   

Het Oog in 't Zeil

 

dieren

Weihnachtskatzen
Kerstbundel 2012 van Insel Suhrkamp Verlag met elf verhalen over katten.'Poespoespoes' heet mijn bijdrage, die werd vertaald door Waltraud Hüsmert. > Siehe auch: 'Weihnachtskatzen in deutscher Übersetzung'.   

Insel Suhrkamp Verlag

 

jacht

De jager bespied
Een fotograaf reist heel Europa door op zoek naar de geheimen van de jacht. Dat levert tijdloze beelden op. Niet over doden, maar over een mens in het landschap, die zit en wacht op het wild, of het besluipt, als een dier.   

De Jager

 

vertalen

Over Leven met het pistool op tafel
De Duitse schrijver Wolfgang Herrndorf, bekend van de roadmovie Tsjik hield na de fatale diagnose van een hersentumor een digitaal dagboek bij. Zo volgen we hem in zijn moedige, onderzoekende en heftige laatste drie jaar.   

Uitgeverij Cossee

 

jacht

Jagen met droge ogen
Mijn eerste everzwijn heb ik geschoten met droge ogen. Sterker nog, ik was vervuld van een geluksgevoel dat ik niet kende. [...] en al snel kreeg het gezelschap van het besef dat ik definitief een grens had overschreden...   

de Volkskrant